Curriculum Vitae OrSeCante

Het vocaal ensemble OrSeCante wordt opgericht door Luc Dejans op 31 januari 1989. Het koor ontleent zijn naam aan de term "or se cante" in oude Franse manuscripten die aangaf welke stukken moesten worden gezongen, terwijl de term "or se (ra)conte" aanduidde welke stukken werden verteld. Geert Craps neemt enige tijd later het dirigentschap over, tot het eind 1990 in handen komt van Arnout Malfliet. Onder zijn muzikale leiding groeit OrSeCante zowel vormelijk als inhoudelijk uit tot een enthousiast ensemble met een vijfenveertigtal leden.

Vivaldi_sopranen_AnHet krachtpunt van OrSeCante is de thematische eenheid. Arnout Malfliet werkt telkens naar een goed afgelijnd project. Het concertthema wordt ingebed in zijn oorspronkelijke, meestal religieuze context. Daardoor krijgt het geheel een grote meerwaarde: centraal staat de muziek, maar ook de boodschap en de gevoelens die ze vertolkt. Dat blijkt al in het eerste project, in maart 1991, een vroeg-barokke passie van Ambrosius Beber, met de medewerking van Bart Demuyt als evangelist. De opstelling, de verlichting en de muziek worden samengebracht in een afgewerkt totaalconcept. Tijdens dit concert begeleidt Ivo Bigaré op het orgel. Hij wordt de vaste organist bij de concerten.

Een grote muzikale stap vooruit is de uitvoering op Lichtmis 1992 van een vesper met muziek van Adriaan Willaert, Jachet van Mantua en Cypriaan de Rore. De dubbelkorigheid van de psalmen was achteraf bekeken een heuse krachttoer voor het jonge koor, gedurfd zelfs, aangezien er voor de meeste partijen slechts twee zangers waren.

In november 1992 brengt OrSeCante de Missa "Ut Re Mi Fa Sol La" en enkele motetten van G.P. da Palestrina, afgewisseld met orgelwerk van M.A.Cavazonni. Het project is opgebouwd volgens de structuur van de eucharistie.

Meest opvallend in de thematische opbouw is ongetwijfeld de uitvoering van de Lamentationes van Tomás Luis de Victoria, in april 1993. Het concert volgt de traditie van het Officium, waarin de toenemende duisternis ­ door het doven van kaarsen na de verschillende lectio's ­ het lijden van Christus symboliseert. Het thematische dieptepunt, de klaagzang van Job, wordt in totale duisternis gezongen, een pakkende ervaring voor koor en publiek.

Vivaldi_overzichtStilistisch anders is het oratorium Israel in Egypt van G.F.Handel in februari 1994. Het is een groots feestproject, in samenwerking met de Vlaamse Federatie van Jonge Koren. Voor het eerst concerteert OrSeCante met een uitgebreid orkest, het Balije Consort onder leiding van Luc Ponet. Het tweede jubileumconcert van 1994 knoopt weer aan bij de OrSeCante-traditie van thematische opbouw. Het project Gottes Zeit symboliseert de hoop: met de Musikalische Exequien van Heinrich Schütz en de Bach-cantate Actus Tragicus en zijn motetten Komm, Jesu, Komm en Der Geist hilft unser Schwachheit auf.

In april '95 brengt OrSeCante onder de benaming Hora Vespera muziek van Adriaan Willaert, samen met het Gregoriaans abdijkoor van Grimbergen. Helemaal anders in datzelfde jaar is het frisse en poëtische programma The Blue Bird, met laat-romantische partsongs van C.V. Stanford en G.Holst.

Voorjaar '96 grijpt Arnout Malfliet terug naar de meer vertrouwde renaissancemuziek, met muziek uit de bundel Selva Morale e Spirituale van Claudio Monteverdi. OrSeCante krijgt daarbij steun van het blazersensemble Ritornello. In datzelfde jaar wordt OrSeCante gevraagd voor het project Te Deum, Romantische Kathedraalmuziek, samen met het koor Alauda uit Ekeren (Johan Van Bouwelen) en het Basilica-koor uit Tongeren (Luc Ponet). Het wordt een ietwat bombastisch concert met Edward Elgar, Anton Bruckner, F. Liszt en R.Vaughan Williams, rond het Te Deum van Arthur Meulemans.

muzieknoten

OrSeCante neemt in '97 de eigen thematische draad opnieuw op. Miserere brengt in een kader van ingetogen teksten passiemuziek bijeen van verschillende componisten, onder wie Purcell, Byrd, Dowland, Palestrina en de Morales. Later in dat jaar volgt een heruitvoering van Willaert voor Laus Polyphoniae Antwerpen.

Tegen '98 bereikt OrSeCante het voorlopig toppunt van zijn muzikale groei. Met de Mariavespers van Claudio Monteverdi heeft het koor zijn volle klankkleur en enthousiaste dynamisme gevonden. Het concert, nogmaals met de steun van Ritornello, wordt een groot succes.

Die eigen klankkleur is vooral duidelijk in de subtiele Missa Si Ambulavero van Philippus De Monte, in een harmonieus geheel met motetten van H.Schütz en orgelmuziek van J.S.Bach, gespeeld door Michel Goossens. Maar tijdens de Paastijd van '99 brengt OrSeCante zijn publiek het hoogtepunt van de thematische omkadering. In de Begijnhofkerk van Leuven branden alleen kaarsen, een sfeervolle context voor het Officium Defunctorum (Requiem) van Tomás Luis de Victoria.

De viering van het tienjarig jubileum kent in december '99 een afsluitend hoogtepunt. Een bomvolle Sint-Geertruikerk geniet van de uitvoering van het Gloria van A. Vivaldi en het Dettingen Te Deum van G. F. Handel, in samenwerking met het orkest L'Estro Armonico uit Waregem.

Vivaldi_tenoren2000 wordt het jaar van de confrontatie. In hetzelfde jaar zingt OrSeCante twee totaal uiteenlopende concertreeksen: een programma rond de Engelse renaissancecomponisten P. Philips en J. Dowland, maar ook het in 1997 gecomponeerde Kanon Pokajanen van de Estse componist Arvo Pärt. Dit werk ademt de sfeer van een orthodoxe eredienst. Tijdens het concert zorgen 9 reuzengrote iconen, kaarsen en wierook, en een aangepaste belichting (van duisternis in het begin van het concert, naar een in het volle licht badende kerk na het laatste akkoord) voor het creëren van deze sfeer

Samen met Ritornello voert OrSeCante in mei 2001 het muzikaal testament van H. Schütz, zijn Opus Ultimum, uit. Deze dubbelkorige psalmen werden lange tijd als verloren beschouwd, en werden pas in 1984 gereconstrueerd op basis van 6 van de 8 stemboekjes.

Als uitgangspunt voor de concertreeks van 2002 wordt het Requiem ‘Missa Pro Defunctis’ van de ‘vergeten’ Portugees polyfonist Duarte Lobo gekozen. Het dodenofficie wordt doorweven met polyfonie uit de Renaissance en de 20° eeuw tot één groot geheel. Muziek van Barber, De Morales en Gombert vinden een gepast einde in een lied van Taverner ‘Song for Athene’, met als laatste beweging “ with resplendent joy in the resurrection”.

In 2003 staan compleet tegengestelde genres op het programma : rond Pasen voert het koor klaagliederen op, met o.a. de Johannespassie van Demantius en stukken uit de Lamentaties van O. Lassus, terwijl in het najaar een parodiemis van Carissimi wordt uitgevoerd in samenwerking met het blazersensemble Ritornello. In de mis komt namelijk steeds het thema van L’homme Armé terug. Het project wordt aangevuld met een dubbelkorig Magnificat en het oratorium “Judicium Extremum”.

Na 14 jaar trouw Orsecante gedirigeerd hebben, is Arnout toe aan herbronning en hij last een sabbatjaar in. Dieter Staelens neemt de rol van interimdirigent op. Hij laat het koor kennis maken met moderne en romantische werken. Deze samenwerking resulteert in een concert dat voorzien is in het voorjaar van 2005. Er zullen werken gebracht worden van de hedendaagse IJslandse componist Nordal, aangevuld met werken van Grieg en enkele IJslandse folkssongs.